In de
Radiateur wordt de koelvloeistof gekoeld door de rijwind. De warme vloeistof komt bovenin de
Radiateur binnen en stroomt dan naar beneden, waar het gekoeld weer door de
Motor wordt gestuurd waardoor de
Motor niet oververhit raakt.
De koelvloeistof zakt vanaf de bovenzijde in de
Radiateur door kleine pijpjes naar beneden. Tussen deze pijpjes door waait lucht, in de meeste gevallen de rijwind, maar indien een voertuig stil staat wordt de lucht er door een meestal automatisch werkende ventilator (de "ventilateur") doorheen gezogen of geblazen. Om het koelend oppervlak te vergroten, zijn tussen de pijpjes harmonicavormige platen gesoldeerd, de "lamellen".